1. Skip to Menu
  2. Skip to Content
  3. Skip to Footer

 

 

Visueel informatieverwerkingssysteem

 

Moeite met talig onderwijs

Beelddenkers zijn visueel sterk. Het opnemen, verwerken, opslaan, onthouden en weer gebruiken van informatie verloopt bij hen op een andere manier dan bij de meeste kinderen, die een auditief informatieverwerkingssysteem hebben. Beelddenkers denken niet in woorden en begrippen ( verbaal ) en leren dus ook niet op die manier. Zij denken en leren in beelden en gebeurtenissen ( non-verbaal ). Aangezien beelddenkers verbaal en auditief zwak zijn, hebben zij moeite met de talige manier waarop zij onderwijs aangeboden krijgen. Daar ligt de oorzaak van veel van hun leerproblemen.

Moeite met luisteren

Doordat beelddenkers visueel sterk en auditief zwak zijn, onthouden ze wel wat ze zien, maar vergeten ze wat ze horen. Ze lijken slecht te luisteren. Wat gezegd wordt dringt niet echt door. Dit levert op school problemen op bij het opnemen van informatie, bijvoorbeeld bij instructies.

Moeite met vertalen van beelden naar woorden en omgekeerd ( woordvindprobleem )

Beelddenken is een snelle manier van denken ( 32 beelden per seconde tegenover 2,5 woorden per seconde ). Doordat er in eenzelfde tijd veel meer beelden dan woorden komen, vinden beelddenkers het lastig om hun gedachten kort en bondig in woorden uit te drukken. Daar komt bij dat ze in gedachten vaak al weer verder zijn. De beelden komen sneller dan de woorden. Dit leidt ertoe dat, als ze iets willen vertellen, ze vaak middenin een verhaal beginnen of stukken van hun verhaal weg laten. Ze komen daardoor heel warrig over. Ook kan het dan lijken alsof ze iets niet begrepen hebben. Doordat het denken in beelden zoveel sneller gaat, kunnen beelddenkers het vastleggen ervan als een beperking voelen. Het remt hun gedachtegang af en daarbij komt dat ze het lastig vinden om hun gedachten te verwoorden. Nadat je beelddenkers iets gevraagd hebt, zie je hen vaak omhoog kijken. Je ziet ze dan zoeken naar woordenDoordat beelddenkers continue bezig zijn met een vertaalslag van beeld naar woord en omgekeerd hebben zij meer tijd nodig om te formuleren en reageren daardoor trager. Die tijd krijgen ze vaak niet. Een beelddenker blokkeert dan ook gemakkelijk. Ze zeggen ze vaak maar niets. Een ander heeft het antwoord toch sneller geformuleerd en bovendien leidt wachten voor hen tot vergeten.

Een bijkomstigheid van het woordvindprobleem is het gebruiken van zelf bedachte woorden. Beelddenkers hebben een 'eigen'aardig woordgebruik. Als ze een woord niet snel kunnen vinden vervangen ze de woorden ook wel door woorden als 'dinges'.

Moeite met symbolen en begrippen zonder beeld

Doordat beelddenkers denken in beelden hebben ze moeite met het aanleren van symbolen en begrippen waar ze geen beelden aan kunnen koppelen. Letters, cijfers en leestekens bijvoorbeeld zijn voor beelddenkers te abstract. Ook hebben ze moeite met zogenaamde 'lege woorden', zoals 'de', 'het', 'een', 'omdat', 'maar'. Dit zijn woorden waar ze dan ook vaak overheen lezen. Leestekens lijken ze vaak niet te zien, waardoor ze aan één stuk door lezen, zonder intonatie. Symbolen vinden ze ook lastig. Bij rekenen zie je dan ook wel eens dat  +, -, x en : door elkaar gehaald. Bij het maken van rijtjes sommen wordt ook vaak over het teken heen gelezen. Als ze eerst een rij plussommen hebben gemaakt en er volgt een rij minsommen, dan gebeurt het regelmatig dat ze doorgaan met plussommen.

Rijke fantasie

Beelddenkers hebben een rijke fantasie. Door alle beelden die in hun gedachten opkomen, bijvoorbeeld bij het lezen van een tekst, dwalen hun gedachten gemakkelijk af en verzinnen ze er hun eigen verhaal bij. Hun probleem is dan dat zij achteraf niet goed weten wat ze gelezen hebben of dat ze nog wel de grote lijn van het verhaal weten, maar de details kwijt zijn. Ook zie je vaak dat ze bij het beantwoorden van vragen er van alles bij verzinnen en een antwoord geven dat in hun ogen logisch is, maar niet letterlijk uit de tekst blijkt.

Moeite met figuurlijk taalgebruik

Beelddenkers hebben moeite met figuurlijk taalgebruik. Ze nemen alles heel letterlijk waardoor grote verwarring kan ontstaan. Ze begrijpen niet hoe het gezegde in de rest van de tekst past.